Vectorieel tekenen
Kleuren, texturen en patronen
Kleuren
Een object heeft steeds 2 kleuren: een opvulkleur en een
lijnkleur. Wanneer je de kleur tracht te wijzigen, krijg je een kleurenpalet
voorgeschoteld. Je kan hier een kleur in kiezen.

Elke kleur heeft een kleurcode. Dit is een hexadecimaal
getal en bestaat uit een combinatie van 6 cijfers en letters. Voor de kleurcode
wordt steeds een hekje (#) ingetypt. Je kan deze kleurcode zelf intypen, of een
kleur aanklikken in het palet.
Wanneer je geen opvul- of lijnkleur wenst, dien je te selecteren.
Je kan ook een ander kleurenpalet kiezen door rechtsboven op
het pijltje te klikken.


|

|
Greyscale |
Continuous Tone |
Wat meer uitleg rond
kleurcodes |
Een kleurcode is als volgt opgebouwd:
Elke kleur bevat een RGB-waarde. RGB staat voor Red Green
Blue. Elke kleur bevat namelijk een bepaald aantal Rood, Groen en Blauw. Deze
waarde schommelt tussen 0 en 255.
Zo kan een kleur bijvoorbeeld veel rood bevatten, geen
groen en weinig blauw. Dit wordt als volgt genoteerd:
Je kan dit via je rekenmachine in het Hexadecimaal zetten:

Resultaat: |
|
|
|
R |
G |
B |

|
FF |
00 |
64 |
|
Je kan een object ook een opvulkleur (gradient)
geven.
Op deze manier kan je een kleurovergang van 2 (of meerdere)
kleuren in elkaar krijgen.
Kies voor Solid in plaats van Gradient.
Kies een gradient uit de lijst (bv. Radial).

Klik op de kleur. In plaats van een kleurenpalet bekom je nu
een ander venster:

Door op de (onderste) pointers te klikken kan je de
overgangskleuren kiezen. Je kan een pointer bijmaken door tussen de 2 bestaande
pointers te klikken. Je kan een pointer verwijderen door deze naar onder te
slepen. Je kan een pointer verslepen om zo een kleur meer door te laten komen.
Door op de (bovenste pointers te klikken kan je de Opacity
(Alfawaarde) ingeven. Hiermee bepaal je de transparantie van een kleur. 100%
betekent volledig zichtbaar, 0% betekent onzichtbaar.

Nadat je een gradient aan je figuur gegeven hebt, moet je
nog enkele instellingen doen:

In je figuur verschijnt namelijk een lijn met een bolletje
en een vierkantje. Door het bolletje te verslepen, verander je het invalspunt
van de eerste kleur. Door het vierkantje te verslepen, wijzig je de richting
van de kleurovergang (heeft meer effect bij een lineair kleurverloop dan bij
een radiaal).
Texturen
Naast een kleur of een gradient kan je een textuur geven aan
een object. Je kan de twee dus combineren met elkaar.
Door middel van een percentage kan je bepalen hoe fel deze
textuur zichtbaar mag zijn.
Er bestaan heel wat texturen:
   
Voorbeeld:
Een oranje rechthoek met textuur Fiber (70%)

Een rechthoek met gradient (geel-oranje) en textuur DNA
(50%)

Patronen
Tenslotte kan je een patroon geven aan een object. Je kan
een patroon combineren met een textuur, maar niet met een kleur. Je geeft dus
ofwel een kleur aan een object, ofwel een patroon.
Kies in het eigenschappenvenster voor Pattern.

Er bestaan een heleboel patronen:
 
Een tweede mogelijkheid om een patroon toe te voegen aan een
object, is via het paneel assets.

|
û Selecteer het object
û Kies een stijl uit in het paneel |
|